Over Gambia

Gambia is het kleinste land van het Afrikaanse continent en wordt volledig omsloten door Senegal. Het ligt op het meest westelijke puntje van Afrika. Gambia boort het zich vanaf de Afrikaanse westkust als het ware als een lange, gekromde vinger landinwaarts. Aan de kust is het land nog 48 km breed, maar het versmalt zich geleidelijk tot 24 km; in totaal is Gambia 320 km lang. De rivier de Gambia doorsnijdt het land van west naar oost dus deelt het land nog eens in tweeën en dat is zeer ingrijpend. Er zijn nauwelijks mogelijkheden om de rivier over te steken. Wel is de Gambia één van de best bevaarbare rivieren van West-Afrika.

Gambia heeft ongeveer 1,5 miljoen inwoners en behoort met z’n 110 inwoners per km2 tot één van de dichtstbevolkte landen van Afrika. De meeste mensen wonen in de kuststreek, waar de vier belangrijkste steden liggen, Banjul, Serekunda, Bakau/Fajar en Brikama. In Gambia wonen verschillende etnische groepen, waarvan de Mandinka met 44% de grootste is. Verder zijn er de Fula (ongeveer 18%) en de Wollof (ongeveer 12%) van de bevolking. De Mandinka en de Fula leven merendeels op het platteland en bedrijven landbouw en veeteelt, terwijl de Wollof meer in de stedelijke gebieden te vinden zijn, waar zij zich veelal met de handel bezighouden.

Engels is de officiële voertaal in het onderwijs, bij de overheid en in de rechtspraak; ongeveer de helft van de bevolking beheerst deze taal redelijk tot goed. De belangrijkste stamtaal, het Mandinka, is de taal waarin de stammen onderling communiceren.

De economie
De economie van Gambia behoort tot één van de zwaksten in de wereld. Het Bruto Nationaal Product per hoofd van de bevolking is € 350 (in Nederland meer dan € 20.000).
De Gambiaanse economie rust hoofdzakelijk op de agrarische sector. De landbouw heeft als belangrijkste exportproduct de pinda. Dat is een wankele basis, omdat de prijzen op de wereldmarkt sterk fluctueren. Op kleinere schaal worden ook specerijen, papaya en mango geëxporteerd. Voor eigen gebruik verbouwt men rijst, cassave en couscous.
April en mei, de droge maanden voor het regenseizoen, staan bekend als ‘hungry season’. De wintervoorraden zijn op en het is wachten op de nieuwe oogst. Ieder jaar weer is het afwachten hoe groot de opbrengst zal zijn, een gebrek aan regen of een sprinkhanenplaag kan de hele oogst vernietigen.

Het landbouwareaal neemt door uitputting van de grond sterk af. In de laatste 30 jaar is de regenval met 30% afgenomen, waardoor de droogte een steeds groter probleem wordt, evenals de erosie door ontbossing. De overheid probeert dit laatste probleem te bestrijden door het kappen van (brand-) hout te verbieden en door nieuwe bomen te planten. Maar de herbebossing is nog maar net begonnen.

De meeste verse vis die wordt gevangen op de oceaan en in de rivier wordt verkocht aan restaurants en toeristenhotels. Voor de lokale bevolking wordt de vis te koop aangeboden op de plaatselijke markt en bij kraampjes langs de weg. Een deel van de vis wordt gerookt en gaat als exportartikel naar Ghana.

De toeristenindustrie levert een steeds groter aandeel in het nationaal inkomen en draagt zodoende in steeds belangrijker mate bij aan de werkgelegenheid en de welvaart van de bevolking. Echter het toerisme concentreert zich voornamelijk in het westen langs de kust met z’n mooie stranden waardoor alleen de bevolking in het westen daarvan profiteert. De inwoners in het binnenland leven veelal alleen nog steeds om te overleven.

De verwerking van aardnoten, de assemblage van bijvoorbeeld kleine landbouwmachines, het fabriceren van kleding en de houtbewerking zorgen voor wat lichte industrie.
De informele sector met kleine handeltjes in fruit, groente en muziekcassettes zorgt voor een andere inkomstenbron. Desondanks is de werkloosheid in Gambia hoog en leven verreweg de meeste Gambianen in absolute armoede (minder dan $1 per dag te besteden).

Gambia is wat voedsel, brandstof, transportmiddelen en halffabricaten erg afhankelijk van import. De meeste import komt uit China (23%), maar ook landen als Senegal (11%) en Nederland (5%) drijven handel met Gambia. Veel voedsel zoals uien, aardappelen maar ook eieren en kippen, komt uit Nederland.

Onderwijs
Tegenwoordig volgt ongeveer 55% van de kinderen lager onderwijs. Sinds enkele jaren is het lager onderwijs op de overheidsscholen voor meisjes gratis; daardoor is het analfabetisme gedaald. Hoewel het onderwijs door de overheid wordt betaald, moeten de ouders wel zelf de kosten voor boeken, schriften, pennen en het schooluniform betalen.
Veel kinderen volgen niet het hele jaar onderwijs; tijdens het oogstseizoen zijn ze thuis nodig om mee te helpen op het land.
Voor de meeste kinderen is vervolg onderwijs niet haalbaar doordat de kosten hiervoor te hoog zijn voor de ouders.

Gezondheidszorg
De gezondheidszorg in Gambia staat op een heel laag peil. Er is een tekort aan vrijwel alles: er zijn te weinig klinieken, te weinig artsen, te weinig geschoolde verpleegkundigen, en te weinig medicijnen. Op het platteland zijn duizenden mensen afhankelijk van de (kraam-) klinieken die in de wat grotere dorpen zijn gevestigd. Patiënten moeten daarheen lopen of met een ezelwagentje worden gebracht, want op het platteland zijn vaak geen auto’s daarvoor aanwezig. In deze kleine gezondheidsposten zijn meestal wel een verloskundige en een verpleegkundige, maar bijna nooit een arts. Voor laboratoriumonderzoek is men daar aangewezen op de districtsziekenhuizen. In het binnenland zijn twee ziekenhuizen, één in Bansang en één in Farafenni.
Medisch gezien gaat in Gambia de grootste zorg naar moeder en kind, dat wil zeggen controles vóór de bevalling, de bevalling zelf en de controle van de zuigelingen. Echter de kraamklinieken en de “consultatiebureaus” hebben vaak nauwelijks apparatuur (zoals b.v. babyweegschalen en bloeddrukmeters).

Er sterven regelmatig vrouwen in het kraambed. Ook de kindersterfte is groot.
Gemiddeld sterven 48 van de 1.000 baby’s bij de geboorte en halen zo’n 125 kinderen het 1e levensjaar niet. De overheid organiseert wel al grote inentingscampagnes tegen mazelen en polio. Ook wordt al veel aandacht besteed aan HIV-Aids preventie.
In de dichtbevolkte kuststrook zijn meer medische voorzieningen dan op het platteland, maar ook daar moeten patiënten voor verder onderzoek vaak naar één van de grotere ziekenhuizen. Tijdens de reis met de overvolle bush taxi is deze patiënt een bron van besmetting voor de andere passagiers.

De belangrijkste doodsoorzaken zijn malaria en ziektes die worden veroorzaakt door het drinken van vervuild water (zoals diarree, hepatitis A en tyfus).

De levensverwachting van de mensen in Gambia is dan ook maar 53 jaar, en maar 3% van de bevolking wordt ouder dan 65 jaar.